Billy Joel heeft de irritante gewoonte om mij op de meest ongelukkige momenten toe te zingen. “Slow down, you crazy child”, hoor ik dan plots in mijn hoofd op een vrijdagmorgen wanneer ik haastig mijn veters aan het strikken ben terwijl ik halsoverkop mijn tanden poets en mij net besef dat de ontbijtgranen op zijn. Ach ja, dan wordt het maar een banaan voor op de fiets, want ik ben al vijf minuten te laat.
Je zou denken dat ik aan dat soort ochtenden wel gewend ben, maar mijn lijf is nog jong en begrijpt niet waarom ik elke dag probeer te leven alsof ik op de vlucht ben voor de snelheid van het leven. Ik ben twintig-en-nog-iets en toch voel ik me soms al ver achterop, alsof iedereen al drie mijlpalen verder staat. Vrienden die volop hun carrière aan het opbouwen zijn, een eigen stekje kopen of het woord gezinsuitbreiding in de mond nemen. En ik, ik zit op mijn fiets met mijn banaan, tevergeefs te sprinten alsof ik middenin de laatste honderd meter van een wielerwedstrijd zit. Want die trein, die wacht niet op mij.
“Vienna waits for you,” fluistert Billy verder, alsof Wenen een geduldige tante is die mij al jaren uitnodigt voor koffie maar begrijpt dat ik “het te druk heb”. Maar ik heb helemaal geen Wenen. Ik heb deadlines.
Mijn to-dolijst is langer dan het aantal uur slaap die de nacht me brengt. Vier projecten, drie afspraken, twee onbetaalde boetes en één vaag schuldgevoel. Dan maar even scrollen op Instagram om direct weer weg te klikken omdat ik alleen maar leeftijdsgenoten zie die leven. Alsof ze weten wie ze zijn, wat ze willen en hun volledige toekomst al uitgestippeld hebben, terwijl ik soms al moeite heb met het kiezen van een ontbijtgranenmerk. Zou Wenen ook een groot aanbod aan ontbijtgranen hebben? Geen idee. Ik heb geen tijd om daarover na te denken, ik moet alweer door.
Als ik op de trein zit komt Billy weer opdagen: “Where’s the fire? What’s the hurry about?”
Wel Billy, de brand zit in mijn planning, in mijn mailbox, in mijn verwachtingen. Als je wil, mag je gerust helpen blussen.
En toch. Soms betrap ik mezelf op iets dat lijkt op het begin van mildheid. Dat moment waarop ik aan het perron sta te wachten en besef dat de wereld niet instort als ik vijf minuten later ben. De zon schijnt en mijn koffie is nog net warm genoeg om te drinken zonder mijn tong te verbranden. En plots voel ik een klein beetje sympathie voor die vermoeide stem in mijn hoofd die maar blijft zeggen dat het echt niet allemaal vandaag moet.
Misschien is dat wel mijn Wenen. Geen stad, geen tante die op me wacht, maar een zeldzame minuut waarin ik mezelf niet opjaag. Want Wenen wacht niet, net zoals mijn trein niet wacht. Wenen is de versie van mezelf die niet in paniek schiet wanneer de planning wegschuift, die begrijpt dat volwassen worden niet bestaat uit sprintjes maar uit schuifelpasjes.
“Vienna waits for you,” zegt Billy. En vandaag geloof ik hem, of toch een beetje. Morgen sprint ik waarschijnlijk weer. Maar voor nu, voor deze ene vrijdagmorgen vertraag ik even.
Meer verhalen
“De natuur is mijn belangrijkste inspiratiebron”
Verkoeling in de zomer: Amsterdam zwemt, Brussel zweet
Een verzwegen leven dat inspireert tot verzet