21 april 2024

Rik Devillé: “Nog een mens, nog iemand die misbruikt is, nog een, nog een leven verwoest…”

Rik Devillé, voormalig priester en mensenrechtenactivist, vooral bekend om zijn inzet voor slachtoffers van seksueel misbruik binnen de katholieke kerk. Hij heeft zich onvermoeibaar ingezet voor gerechtigheid en erkenning van de slachtoffers en heeft zijn ervaringen en bevindingen gedocumenteerd in verschillende boeken en publicaties. Tegenwoordig te zien in de docu-serie ‘Godvergeten’ waarin hij een cruciale rol heeft gespeeld om het misbruik en de getuigenissen aan het licht te brengen. We nemen een kijkje in het buitengewone traject dat Rik Devillé aflegde als priester en buiten het priesterschap.
Tekst en foto’s Femke Tierens

Bij mijn aankomst bij priester Rik Devillé tref ik een bedrijvige Rik aan, die nog enkele taken afhandelt. Hij verwelkomt me vriendelijk in zijn woonkamer en biedt me meteen een comfortabele stoel aan. Terwijl hij koffie voor me maakt en tegelijkertijd bezig is met andere zaken, valt mijn oog op de bronzen Urbanus die hij in 2020 heeft gewonnen. Wanneer Devillé tegenover me komt zitten, wijs ik naar het beeld en vraag ernaar. “Probeer het eens op te tillen, bij voorkeur met één hand,” grijnst hij. Zelfs met twee handen krijg ik er nauwelijks beweging in. Het beeld staat te midden van vier bisschoppen, elk symbolisch voor een kaartkleur in een kaartspel, wat hij leuk vindt aan de bisschopbeeldjes. Hij vraagt me of ik de gestrafte bisschop heb gezien. “Ja, waarom is hij gestraft?” vraag ik nieuwsgierig. “Waarom zou een bisschop gestraft kunnen zijn?” antwoordt hij op mysterieuze toon. “Het verhaal van Vangheluwe is u wel bekend zeker?” voegt hij toe. Jammer genoeg wel, maar wat heeft gemaakt dat Rik Devillé tot nu toe nog altijd strijdt voor de slachtoffers van mensen zoals Vangheluwe?

Wie was u in uw jeugd en wat heeft gemaakt dat u voor het priesterschap koos?
Rik Devillé: “Ik ben opgegroeid in het Pajottenland, waar mijn voorouders al generaties lang kleine boeren waren. Ons dorp telde gemiddeld vier leerlingen per klas, een kenmerkende situatie in die tijd. Het schooltje bestond uit twee lokalen; het eerste, tweede en derde leerjaar deelden een lokaal, net als het vierde, vijfde en zesde. Het opvallende was dat we in het begin twee jaar doorbrachten in wat toen het ‘nulste’ werd genoemd, nog voor de komst van kleuterklassen. Best interessant, nietwaar? Dus, je ziet, zelfs mensen die twee jaar in het ‘nulste’ hebben doorgebracht, groeien op.  
Vervolgens ging ik naar de middelbare school in Halle. Ik behaalde mijn diploma in de wetenschappelijke A-richting, hoewel wiskunde niet bepaald mijn sterkste vak was. Ik ben nog gebuisd geweest voor algebra. Ironisch genoeg werd het aan het einde een van mijn betere vakken. Latijn was een vak dat ik in mijn zomervakantie moest studeren maar tegen de tijd dat ik begon in het Tweede Vaticaans Concilie was Latijn al afgeschaft.  
Mijn tijd als leraar godsdienst in het laatste jaar van de school in Halle was een fascinerende periode van open debatten en gesprekken. Gedurende die tijd begon ik kritischer te worden over de koers van de kerk. In plaats van altijd mezelf te herhalen, voelde ik de drang om mijn inzichten vast te leggen in een boek, wat resulteerde in ‘De Laatste Dictatuur’. Schrijven was niet mijn favoriete bezigheid, en het kostte me zeven jaar om het te voltooien. 
De ‘Werkgroep Mensenrechten in de Kerk’ ontstond als een reactie op de verhalen die mensen deelden over misbruik en machtsmisbruik binnen de kerk. Deze verhalen en ervaringen vormden de kern van mijn felle kritiek op de structuur en het gebrek aan bereidheid om te luisteren binnen de kerkelijke hiërarchie. Het waren deze ervaringen die mijn kritiek op de Kerk hebben gevormd.”

Zijn de mensen die bij u kwamen praten de oorsprong geweest van uw felle kritiek op de Kerk?
“Ja, in mijn boek ‘De Laatste Dictatuur’ beschreef ik hoe de Kerk achteruitging in democratie terwijl de wereld vooruitging. Ik had geen idee van het seksueel misbruik binnen de kerk totdat mensen na het lezen van mijn boek naar me toe kwamen met hun verhalen. In het begin dacht ik: ‘Dat is één persoon, dat zijn er twee, dat zijn er drie, enzovoort.’ Zoals in ‘Godvergeten’ wordt gezegd, ‘nog een mens, nog een mens, en nog een leven.’ Elk verhaal heeft een leven verwoest. Ik begreep de diepgang niet, het was een interne vernietiging van levens. We wisten niet hoe hiermee om te gaan, we waren niet opgeleid om met deze verhalen om te gaan. Eerst en vooral moet je luisteren, pas dan begin je te begrijpen. Veel van deze mensen hebben jarenlang gezwegen, sommigen spreken er pas nu voor het eerst over, ondanks dat de feiten al lang geleden plaatsvonden. Veel zaken kunnen niet meer worden aangepakt omdat daders of slachtoffers zijn overleden. Ook hebben velen zelfmoord gepleegd.”

U werd gezien als een rebelse priester vanwege uw aanpak van deze problematiek, wat is uw visie op die term? 
“Ze zeggen wat ze willen, ik weet wie ik ben. Als ze dat willen zeggen, dan doen ze dat maar, maar ik voel me daardoor niet rebellerend. Ik heb daar geen zin in, om een rebel te zijn, dat is veel te moeilijk. Ik ben gewoon bij de feiten gebleven. En dat heeft ook met het priesterschap te maken, wat is de essentie van iemand die aan de zijlijn staat, zoals de barmhartige Samaritaan, wat doe je dan? Je gaat naar die persoon toe en vraagt: ‘Kan ik helpen? Kan ik iets doen?’ De essentie van het priesterschap is niet het vieren van missen.”

U had ook vermeld dat al uw vrienden met een functie binnen de Kerk u hebben laten vallen. Hoe heeft dat u beïnvloed?
“Dat was inderdaad pijnlijk. Ik heb wel gedacht, ja dat is uw probleem. Misschien een beetje zoals ik ben, ik kan het niet negeren, maar het raakt me wel. Dat doet wel iets met me. Dat vind ik wel moeilijk. Dan heb ik liever dat ze me met rust laten.”

 
U heeft veel tegenslagen gekend. Hoe heeft u kunnen volhouden met het schrijven van uw boeken en het priesterschap?
“Ja, dat was zeker een uitdaging. Tegelijkertijd kon ik mijn parochiewerk voortzetten en daarbij heb ik veel positieve ervaringen gehad. Dat was echt geweldig. Maar ik heb mijn ontslag ingediend op mijn 65e. Normaal blijven priesters tot 75 in functie, omdat ze anders niet weten wat te doen daarna. Maar ik wilde absoluut afscheid nemen. Niet vanwege het afscheid zelf, want dat was heel pijnlijk voor mezelf. Maar het is niet verantwoord dat een parochie door oudere mensen wordt bestuurd. En ja, grootouders hebben daar al helemaal niets te zeggen, dus ik kan niet zeggen dat grootmoeders de macht hadden. Het waren alleen grootvaders. Maar ik bedoel, het moeten ook jonge mensen zijn die vanuit die evangelische inspiratie dingen doen.”
“Op de pastorie heb ik samengewoond met verschillende nationaliteiten, zoals Bolivianen, Palestijnen, Roemenen, en Ecuadorianen, in overeenstemming met het OCMW. Dit alleen al was een ervaring op zich. Zo veel mooie maar ook hartverscheurende momenten. Op een avond moest ik naar het ziekenhuis voor Mandu, een Palestijnse huisgenoot van mij. Tijdens de bevalling waren de moeder en het kindje overleden, door een medische fout. Om de lichamen van de moeder en dochter terug naar Palestina te doen moest iemand van de familie mee. Dat was dan Mandu want hij was hier alleen. Voor hij vertrok naar Palestina zei hij ‘als de oorlog daar nu uitbreekt kan ik daar niet weg, mijn vrouw en kindjes zitten daar ook nog’. Hij pakt zijn portemonnee… en hij gaf me foto’s van zijn kinderen en zette ze bij mij op de schouw… alsof ik hem nooit meer zou zien… Ik zei hem dat hij naar de Belgische ambassade moest gaan en ik zou garant staan voor zijn verblijf in België. Een week later stond zijn gezin voor mijn deur. Het was zo eenvoudig om een gezin te helpen. Deze mensen zijn vrienden voor het leven.”

U heeft duidelijk veel meegemaakt in uw leven. Bent u tevreden met de weg die u tot nu toe heeft afgelegd? 
“Ja, ik heb veel dingen gedaan tegen mijn zin, maar achteraf ben ik wel tevreden. Het realiseren van dingen vergt inspanning. Je hebt kleine moeilijkheden onderweg, maar uiteindelijk, nee, ik heb geen spijt.” 

Als u met de kennis van nu opnieuw zou kunnen beginnen, zou u dan dingen anders hebben aangepakt?
“Ik denk het wel, maar dat is juist het punt, dat weet je nooit. Belangrijk is om je oren open te houden, je goed te informeren, voorzichtig te zijn met eenzijdige sociale media, verschillende bronnen te raadplegen en niet in hokjes te denken. Ik blijf trouw aan het democratische principe, waarbij we gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen, overleggen en samen plannen. Het is ook deels mijn persoonlijkheid; ik kan koppig zijn en heb een eigen willetje. Ik zal me niet laten onderdrukken, maar ik heb geleerd dat samen iets opbouwen het meest bevredigend is. In een parochie heb ik dat kunnen ervaren. Hoe meer je samen kunt doen, hoe groter de voldoening en de vriendschap. Een grotere groep die solidair is, betekent ook een groep die voor elkaar zorgt. Mensen die ziek zijn niet vergeten, mensen die gestorven zijn niet vergeten. De evangelische waarden zijn voor mij van belang en mogen blijven bestaan.”

Heeft u belangrijke lessen getrokken uit uw strijd voor gerechtigheid?
“Ja, niet alleen in de strijd tegen seksueel misbruik, maar ook in de strijd voor ecologie en respect voor de aarde. Ik kende bijvoorbeeld een vrouw die regenwater verzamelde om haar wc mee door te spoelen. Dat vond ik heel respectabel. Men zegt weleens dat ouderen niet zo bewust zijn van het klimaat, maar juist dit soort kleine acties tonen dat je grote ideeën kunt verwezenlijken.”

Wat vond u het fijnst aan uw tijd als priester?
“Werken in een parochie. Dat klinkt misschien saai, maar ik vond dat niet zo. Ik heb een heel bevoorrecht leven gehad door met zoveel verschillende mensen in contact te komen. Dat is voor mij de essentie van het leven. Niet moeten gaan werken, zo zie ik dat. Ik moest vroeger naar Brussel rijden om les te geven en dat was echt niet leuk. De ervaringen die ik in de auto had tijdens het wachten… Ik heb dat geen jaar volgehouden. Zelfs nu, als ik naar de VRT ga voor het nieuws of iets anders, je zou er een humoristisch boek over kunnen schrijven over hoe onze structuur in elkaar zit.”

U bent recent veel in het nieuws geweest vanwege ‘Godvergeten’. Heeft dat veel stress met zich meegebracht?
“Het heeft eerder te maken met ouder worden. Het autorijden naar plaatsen waar ik vroeger ook naartoe moest, daar heb ik nu wel last van. Het praktische aspect is minder geworden door mijn leeftijd. Ik voel dat nu, want ik ben een georganiseerd persoon en als er chaos is, word ik daar geïrriteerd van. Door de hoeveelheid vragen die binnenkomen, ben ik bang dat ik dingen ga vergeten. Dat vind ik echt verschrikkelijk. Als ik iemand moet terugbellen en dat vergeet, voel ik me rot.”

Is er iets waar u voldoening uit haalt als u zich zo voelt?
“Ik heb me de laatste tijd geërgerd, want het weer was zo mooi en dan zou ik graag in mijn tuin bezig zijn, dat doe ik graag. Ik heb daar een serre. Ik durf hem nu niet te laten zien, anders is alles in orde. Dan heb ik genoeg sla voor de winter en wat tomaatjes. Ik kom van het platteland, dat krijg je er niet uit. De natuur geeft me rust, ik kan niet in een stad wonen. Ik ben geen stadsmens.” 

Wanneer bent u naar Tollembeek verhuisd?
“Direct na mijn pensioen ben ik hierheen verhuisd. Ik wilde ver genoeg weg zijn van mijn parochie om afstand te nemen, want als ik te dichtbij was blijven wonen, was ik er te vaak terug naartoe gegaan. Het is 22 km om daar te geraken. Ik wilde echt een duidelijke breuk maken om ze los te laten. Dat is niet goed, een normaal mens hoeft zijn familie niet los te laten, hoewel tegenwoordig de meesten naar een bejaardentehuis gaan. Ik ben opgegroeid in een gezin van drie generaties, met ouders en grootouders. Mijn ouders en grootouders zijn allemaal in datzelfde huis gestorven. Dat zie je nu niet meer. Ik weet niet wat ik daarover moet denken en ik durf er niet veel over te zeggen, want dan stuit je iedereen tegen de borst. Ik zit zelf ook in zo’n situatie. Ik heb zelf geen kinderen, dus ik kan anderen niets verwijten omdat ik te lui ben geweest om zelf een gezin te stichten, maar dat maakt geen verschil. Ik ben niet eenzamer dan andere oude mensen.”

Hebt u soms spijt dat u geen gezin gestart heeft?
“Ja, ik vraag me af hoe ik dan zou zijn geworden. Dat is iets wat niet in mij ontwikkeld is, iets wat ik niet heb… een soort tekortkoming… een beetje dom achteraf gezien, maar ja…”

Maar je woont hier ook niet alleen?
“Klopt, ook met een andere priester. Dus dat is leuk, heel leuk. Gelukkig heb ik dat. Stel je voor. Veel priesters zijn heel eenzaam. Ik heb een jaar alleen gezeten na mijn pensioen, daarna heb ik altijd samengewoond. Soms onder moeilijke omstandigheden, maar ook heel vaak in leuke situaties. Zoals nu, dat vind ik fijn.” 

Is er nog iets dat u zou willen delen of toevoegen aan ons gesprek? 
“Nee, niets specifieks. Maar ik heb altijd gehoopt dat ik kon sterven zonder een oorlog dichtbij. Die hoop werd verstoord toen ik het recente conflict in Oekraïne zag oplaaien. De vorige generaties hebben nooit zoveel oorlogen meegemaakt. Mijn ouders vertelden me verhalen in de jaren ’50, over de oorlog. Ik ben zelf geboren in de laatste dagen van de oorlog en kort daarna heb ik mijn moeder zes maanden lang niet gezien vanwege de psychische problemen die deze moeilijke periode had teweeggebracht. Geboren in oorlogstijd en nu oorlog van kortbij op mijn oude dag. De cirkel is zo goed als rond.”