30 mei 2026

Erasmix

Mediaplatform voor studenten

“Ik kan in de voormiddag leren over armoede en me in de namiddag inzetten om die te verminderen” 

Op zijn 21ste is Mauro Michielsen de jongste senator ooit van België. Naast zijn studies sociologie zetelt hij ook in de Leuvense gemeenteraad en sinds 13 februari 2026 ook in de Senaat. In dit gesprek vertelt hij hoe hij vanuit jeugdengagement in de politiek terecht kwam, hoe hij blokken en beleid maken combineert en hoe hij naar de toekomst kijkt.  

Michielsen groeide op in Brussel, daar woonde hij tot zijn veertiende. Hij ging naar de middelbare school Sint-Pieterscollege in Leuven. Op jonge leeftijd was hij een geëngageerde leerling, hij zat in de leerlingenraad en was in de derde graad zelfs voorzitter van de Vlaamse Scholierenkoepel, de officiële spreekbuis voor scholieren van Vlaanderen en Brussel. In de wandelgangen werd hij wel eens ‘de sos’ genoemd. Opvallend, Mauro is 29 jaar jonger dan de doorsnee Belgische senator. Die heeft namelijk een gemiddelde leeftijd van vijftig jaar.  

Hoe ben je op zo’n jonge leeftijd in de politiek gerold? 
“Dat heeft wel een aanloop gekend. Het is nooit een bewuste keuze geweest om in de politiek te stappen. Ik kom regelmatig jongeren tegen die zeggen: ‘Na mijn studies ga ik meteen de politiek in want ik wil minister worden.’ Dat was bij mij niet het geval.  Ik was altijd al op verschillende vlakken zeer geëngageerd. Ik heb eerst theater gemaakt. Daarna was ik voorzitter van de Vlaamse Scholierenkoepel en had ik een column in De Standaard. Dat heeft altijd één uitgangspunt gehad. Ik zie dingen rondom mij foutlopen en daar wil ik iets aan veranderen. Ik ben altijd maatschappelijk gericht opgevoed, waardoor ik het moeilijk heb met onrechtvaardigheid of dat nu op school is of in de maatschappij. Uiteindelijk ben ik van het ene in het andere gerold en besefte ik: misschien wil ik eens aan de andere kant van de tafel zitten. Kritiek geven vanop de zijlijn is belangrijk, maar oplossingen zoeken en brengen is veel moeilijker.” 

Wat was dan de start van je politieke carrière?  
“Toen zestienjarigen voor het eerst mochten stemmen bij de Europese verkiezingen, groeide het idee dat jonge stemmen belangrijk zijn in het debat. Kathleen Van Brempt, voormalig Europees Parlementslid voor Vooruit, heeft mij toen gevraagd om op de Europese lijst te staan. Ik heb daar lang over nagedacht, omdat ik mij voordien nooit echt bij een partij had aangesloten en dus een heel apolitiek profiel had. Uiteindelijk besefte ik dat als ik geloofwaardig wou blijven, dat jongeren aan politiek moeten doen, inclusief mezelf. Daarna kwam de vraag uit de Leuvense fractie van Vooruit om mee op de lijst te staan en uiteindelijk werd ik gemeenteraadslid. Later kreeg ik dan de vraag van mijn voorzitter (Conner Rousseau, red.) om senator te worden, met als opdracht de Senaat af te schaffen. Wat absurd is, want er zijn niet veel jobs waarbij het je taak is om je eigen functie af te schaffen.” 

Wat vind je van de titel ‘jongste senator ooit’? 
“Ik ben toch wel trots op die titel, vooral op het deel ‘jongste’. Het blijft bijzonder om op je 21ste parlementslid te zijn. Zeker als je weet dat je vroeger pas senator kon zijn vanaf je veertigste. (In 1993 verlaagde die minimumleeftijd naar 21 jaar, en sinds 2014 ligt ze op 18 jaar). Gelukkig veranderen tijden, want een debat is alleen maar verrijkend als jongeren mee aan tafel zitten.” 

Hoe kijken je ouders naar je politieke leven?   
“Dat zou je aan hen moeten vragen” (lacht) “Ik ga ervan uit dat ze het chique vinden. Alleen hebben ouders de neiging om hun kind te beschermen. Als je  aan politiek doet, stel je je kwetsbaar op. Je steekt je kop boven het maaiveld uit en soms wordt die er keihard afgehakt door de harde wereld van politiek, of door de vele reacties op sociale media. En ik denk dat mijn ouders zich daar soms zorgen over maken. Dat is iets wat ik persoonlijk pijnlijk vind om te merken. 
Maar ze weten dat dit echt mijn ding is, dat ik mij hier amuseer. Het daagt mij uit en ik denk dat ze het alleen maar aanmoedigen.” 

Ze hebben je altijd gesteund?  
“Ja. Het is daarnaast e taak van mijn ouders om te zeggen: ‘Mauro, het zijn bijna examens, misschien moet je daar ook eens aan beginnen.’” 

Hoe is het om aan politiek te doen terwijl je nog studeert? 
“Mijn hoofdrichting is sociologie en daarnaast volg ik politieke wetenschappen als keuzevak. Ik had al politieke wetenschappen gestudeerd, wat ik interessant vond. Maar sociologie is de studie van de maatschappij. Ik leer liever inhoudelijk over maatschappelijke thema’s om er in de politiek mee aan de slag te kunnen. Ik kan in de voormiddag leren over armoede, en in de namiddag mij inzetten om die te verminderen.  Ik blijf politiek vooral zien als een middel en niet als een doel op zich. Voor mij gaat politiek over een groter ideologisch verhaal, in mijn geval een socialistisch kader, daarom vind ik het veel interessanter om de samenleving breder te bekijken. Qua timing is de combinatie van politiek en studeren moeilijk. Soms lukt die combinatie niet.” (lacht) 
“Ik doe alles alleen, zelfs mijn agenda beheren, en dat kost enorm veel tijd. Je moet streng zijn voor jezelf en keuzes maken. Tegelijk wil ik mijn diploma halen, dus tijdens de blokperiode beperk ik mijn engagement echt tot het minimum. Nu bijvoorbeeld volg ik enkel zittingen van de senaat en gemeenteraden, met af en toe een vergadering. Maar een event gaan bijwonen zit er nu even niet in.” 

Kan je nog genieten van het studentenleven?  
“Niet echt.” (lacht) “Maar ik denk niet dat het typische studentenleven helemaal iets voor mij zou zijn. Ik ga graag eens op café, ook met mensen uit de politiek of uit andere partijen. Maar vier keer in de week naar de Oude Markt gaan, zie ik mezelf niet doen. Men zegt vaak dat het studentenleven de tijd van je leven is, maar ik denk dat veel mensen achteraf dat juist niet vinden. Zolang ik energie haal uit wat ik nu doe, zit het goed.” 

Heb je nog een boodschap aan jongeren? 
“Ik maak mij veel zorgen over de toenemende polarisering. Mensen trekken steeds meer naar de extremen. Ik probeer jongeren uit te leggen dat politiek een georganiseerd meningsverschil is: je hoeft het niet altijd eens te zijn, maar respect voor democratie blijft essentieel. We zien overal hoe democratie en mensenrechten onder druk staan. Die moeten we echt koesteren. Het zijn beangstigende tijden, maar voor jongeren is het belangrijk om hoopvol te blijven. Ik kijk uit naar beterschap.”