
Met talloze regenboogvlaggen en events profileert Brussel zich als een LGBTQIA+-vriendelijke stad. Toch botsen slachtoffers van homo- en transfoob geweld in onze metropool nog te vaak op een gebrekkig systeem. Meldingen worden onvoldoende geregistreerd, recente cijfers ontbreken en de drempel naar de politie blijft voor velen te hoog.
Op 17 mei werd een vriend van Brussels parlementslid Stijn Bex (Groen) tijdens de 30ste editie van Pride in Brussel aangevallen door een groep jongeren. Toen hij en zijn gezelschap naar de politie stapten, kregen ze een koele reactie: “Met die mannen hebben we vandaag nogal miserie gehad, en het zal niet de laatste keer zijn.” Dit soort aanvallen zijn geen uitzondering.
Bex zet zich al langer in tegen homofoob geweld in Brussel. Na twee aanvallen eind 2025, waaronder die op VRT-journalist Mathieu Lonbois, diende hij een resolutie in tegen homofoob geweld. In december vorig jaar werd deze goedgekeurd door het Brussels Parlement. De resolutie bevat voorstellen om de veiligheid in de publieke ruimte en het openbaar vervoer te verhogen, slachtoffers beter te ondersteunen en in te zetten op preventie en vervolging van daders. Toch benadrukt Bex dat er niet meteen iets zal veranderen: “Een resolutie stemmen betekent niet dat het beleid morgen verandert, maar het is een signaal van het parlement aan de regering: wij willen dat jullie aan dit punt werken”, zegt hij.
“Een beleid van 1985”
Hoe groot het probleem van homo- en transfoob geweld in Brussel precies is, valt moeilijk te meten. Recente Brusselse cijfers over het aantal meldingen zijn zo goed als onbestaande. De laatste gegevens dateren van mei 2024. Safe.brussels, de veiligheidsdienst van het Brussels Gewest en vzw RainbowHouse ontvingen tussen 2019 en 2023 in totaal 217 meldingen van anti-queer geweld. Op nationaal niveau ontving Unia, de nationale onafhankelijke instelling die discriminatie bestrijdt, vorig jaar 311 meldingen van geweld tegen LGBTQIA+-personen.
Maar die cijfers geven slechts een fractie van de werkelijkheid weer. Uit onderzoek van het Europees Agentschap voor de Grondrechten blijkt dat slechts 14 procent van de slachtoffers melding doet bij de politie of een andere organisatie, waardoor het werkelijke aantal incidenten vermoedelijk een veelvoud hoger ligt. Verbaal geweld is de meest voorkomende vorm, gevolgd door psychologisch en fysiek geweld. Opvallend: in zeven op de tien meldingen gaat het om meerdere vormen tegelijk.
Bex bekritiseert ook de manier waarop cijfers worden bijgehouden: “Als je cijfers manueel moet gaan tellen, gaan er altijd verloren en krijg je geen accuraat beeld van de realiteit. Dat is een superamateuristische manier om hiermee om te gaan.” Volgens hem zou er een digitale heatmap moeten bestaan van waar incidenten plaatsvinden, zodat beleidsmakers gericht kunnen ingrijpen. “Als je de meldingen in data giet, kun je daar perfect iets mee doen, via camera’s en extra politie-inzet. Maar als je zelfs niet weet waar de cijfers liggen en je ze bij wijze van spreken uit een fichebak moet vissen, dan voer je een politiebeleid van 1985 uit in plaats van 2026.”

Waarom slachtoffers zwijgen
Politierapporten uit 2024 tonen aan dat slechts 1 op de 10 slachtoffers die homofoob geweld meldden bij RainbowHouse, ook effectief naar de politie stapte. Volgens psycholoog en ervaringsdeskundige Vincent Goetry zijn daar verschillende redenen voor. Hij werkt bij MACS (Maison Arc-en-Ciel de la Santé), een Brusselse organisatie die medische en psychologische hulp biedt aan de LGBTQIA+-gemeenschap, en merkt de drempel van binnenuit. Ook hij werd slachtoffer van geweld.
“Om te beginnen brengt een aangifte bij de politie veel schaamte, angst en wantrouwen met zich mee”, vertelt Goetry. Hij legt uit dat sommige slachtoffers nog niet uit de kast zijn als LGBTQIA+-persoon en daarom vrezen dat een melding bij de politie hun seksuele geaardheid zichtbaar zal maken.
Daarnaast spelen de omstandigheden van het geweld een belangrijke rol. Goetry verwijst naar geweld na afspraken via datingapps zoals Grindr of tijdens cruising (anoniem op zoek gaan naar seks, red.) in parken, waarbij openbare seksuele handelingen strafbaar kunnen zijn. Veel slachtoffers voelen zich daardoor vernederd of schuldig en durven de context van het incident niet uit te leggen. “Je wil niet naar de politie gaan en zeggen: hé, ik was op zoek naar een date op Grindr en ik werd aangevallen.” Er bestaat een kans dat slachtoffers zelf schuldig bevonden worden aan een misdrijf, waardoor minder aangifte wordt gedaan. Dit was in de zomer van 2024 voor Vincent zelf de reden om drie dagen te wachten met aangifte bij de politie.
Ook blijft het historische wantrouwen tegenover de politie hangen. Slachtoffers werden voor dat er een meldpunt bestond nauwelijks serieus genomen wanneer ze homofoob geweld meldden bij de politie: “Toen werd je door de politie rechtuit uitgelachen als je homoseksueel was”, aldus Goetry. Hoewel de politie sinds 2019 in verschillende commissariaten specifieke LGBTQIA+-meldpunten en referentiepersonen invoerde, leeft die negatieve ervaring volgens hem nog steeds voort binnen de gemeenschap.
Tot slot vermoeden velen dat een aangifte weinig zin heeft: “Ze denken dat het geen impact zal hebben, omdat de politie de daders nooit zal vinden en dat het tijdverspilling is.”
LGBTQIA+ verenigingen als eerste hulp
Omdat de stap naar de politie voor velen te groot blijft, spelen LGBTQIA+-organisaties een cruciale rol als eerste aanspreekpunt. In Brussel staan meer dan 70 verenigingen klaar met opvang, psychologische begeleiding en juridische ondersteuning waar slachtoffers zonder oordeel geholpen worden.
Een van de belangrijkste is RainbowHouse Brussels, de koepelorganisatie van LGBTQIA+-verenigingen in Brussel. RainbowHouse is in eerste instantie een ontmoetingsplek voor mensen uit de gemeenschap.
Andere organisaties zoals MACS en Unia vullen dat aan met professionele ondersteuning. Zij helpen slachtoffers, zoals Goetry zelf, om toch de stap naar de politie te zetten. “Ik twijfelde om naar de politie te stappen”, vertelt Goetry. Uiteindelijk deed hij dat toch, mede dankzij de begeleiding van Unia en een vertrouwenspersoon. “Die steun hielp mij enorm. Ik schreef mijn verhaal neer en diende klacht in. Zonder die begeleiding was ik er waarschijnlijk niet geraakt.”

Politie evolueert, maar schiet tekort
Binnen de politie zijn er de voorbije jaren initiatieven genomen. In elk commissariaat bestaat nu officieel een specifiek meldpunt voor haatmisdrijven en er zijn referentiepersonen aangesteld voor LGBTQIA+-thema’s. Toch is de situatie per zone sterk verschillend. Publiek zichtbare LGBTQIA+-referentiepersonen zijn schaars: enkel in de zone Brussel Hoofdstad-Elsene is er met Nicolas Beckers een expliciet aanspreekpunt bekend. Voor de andere vijf politiezones heeft Beckers geen idee of er referentiepersonen bestaan.
Beckers, inspecteur in de zone Brussel Hoofdstad-Elsene, benadrukt dat de opleiding nog te versnipperd is: niet elke politieschool besteedt evenveel aandacht aan diversiteit, terwijl hij dat een verplicht onderdeel van de basisopleiding vindt. Binnen Polbru (politiezone Hoofdstad-Elsene) is de opleiding via RainbowHouse alvast verplicht voor elke eerstelijnsonthaalmedewerker. Hij werkt ook aan een concreet voorstel om discrete onthaalmomenten te houden in het RainbowHouse zelf, om de drempel voor slachtoffers verder te verlagen. Daarnaast bestaat de organisatie Rainbow Cops, die queer agenten samenbrengt en collega’s traint in het correct omgaan met slachtoffers.
Bex erkent de vooruitgang, maar nuanceert: “We komen van een situatie met een relatief homogeen, wit en mannelijk politiekorps, met een zekere machocultuur. Ik denk dat de gevoeligheid voor klachten rond LGBTQIA+-geweld vandaag al veel groter is dan 30 jaar geleden, toen kon je als homo gerust een politiekantoor binnenstappen en vierkant uitgelachen worden. Maar dat is nog niet voldoende om negatieve excessen te vermijden.”
Meldpunt onbereikbaar
Op de website van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest valt te lezen dat Brussel “zeer gayvriendelijk” is. Toch staat die officiële voorstelling in scherp contrast met onze eigen ervaring en die van slachtoffers. Toen onze redactie het LGBTQIA+-meldpunt van politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene meermaals probeerde te bereiken, werd niet opgenomen. Opvallend hierbij is dat wie het meldpunt van de politie wil bereiken, terechtkomt op een nummer van RainbowHouse.
Ook digitaal blijven de drempels hoog. Zo stond op dezelfde website een verouderde link naar de vroegere website van Brussel Preventie en Veiligheid, een organisatie die al in 2022 van naam veranderde naar safe.brussels. Pas nadat onze redactie dit aankaartte bij de woordvoerder van politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene werd de link aangepast.
De politie ondernam al kleine stappen in het ondersteunen van slachtoffers van homofoob geweld. Maar zolang meldingen verloren gaan, drempels hoog blijven en incidenten tijdens Pride neerbuigend worden afgedaan, blijft de kloof tussen dat imago en de dagelijkse realiteit van LGBTQIA+-personen in Brussel een pijnlijk gegeven.
Meer verhalen
Kot gezocht: van wachtlijsten tot dure privékoten in Brussel
Mensen in Brussel: Eliane
Vlaamse universiteiten willen kotaanbod bundelen, Brussel twijfelt: “uiteindelijk moet zo’n platform ook hier toepasbaar zijn”