9 juli 2020

Marc Van Ranst: “Ik weet zeker dat alles beter wordt.”

°1965) was tot voor kort misschien niet zo bekend bij het breder publiek, maar sinds het coronavirus de wereld in zijn greep heeft , is de viroloog niet meer weg te denken uit het Vlaamse medialandschap.

Marc Van Ranst (°1965) was tot voor kort misschien niet zo bekend bij het breder publiek, maar sinds het coronavirus de wereld in zijn greep heeft , is de viroloog niet meer weg te denken uit het Vlaamse medialandschap. Vlaams Twitter roept de viroloog uit tot nationale held, maar wie is de man in de veelbesproken wollen trui eigenlijk? We herpubliceren een interview dat Lina El Bakkali met Van Ranst had in 2019.
door Lina El Bakkali

“Wil jij ook graag een koffie?” vraagt Marc Van Ranst bij wijze van begroeting. Ik schud mijn hoofd en bedank vriendelijk. “Ik wel,” voegt hij eraan toe. Terwijl hij zijn koffietje klaarzet, neem ik rustig de tijd om tot adem te komen en rond te kijken. Zijn bureau is ruim en goed verlicht. Aan de muur hangt moderne kunst waar ik niets van begrijp. Het is een welgekomen verrassing na mijn tocht door de deprimerend grijze gangen van het Leuvense Gasthuisberg. De geur van ontsmettingsmiddel maakt plaats voor de die van koffie. Van Ranst nodigt mij uit om te zitten aan een tafel met een stapel papieren waarvan ik me afvraag of hij er ooit iets in terugvindt. De kalme uitstraling van Van Ranst vormt een harmonieus contrast met de chaos in zijn bureau. “Het is hier een beetje rommelig,” lacht hij. “Maar ik verlies nooit iets.” “Echt?” vraag ik. “Neen,” antwoordt Van Ranst.

U bent een grote kunstliefhebber, zie ik. Ik heb mij ook laten vertellen dat u een grote verzamelaar bent.
“Ik ben een pathologische verzamelaar. Ik verzamel alles, tot de enorme frustratie van mijn omgeving. Ik verzamel onder andere postkaarten van het jaar 1918. De voorkant van die kaarten interesseert mij niet. Het is de achterkant waar het mij om gaat. In 1918 woedde de Spaanse Griep. Dat was enorm beklijvend voor mensen. Iedereen kende mensen die gestorven waren. Als ik postkaarten vind uit die periode met het woord ‘griep’ geschreven op de achterkant, moet ik die hebben.”

Vanwaar komt uw belangstelling voor de griep en virussen in het algemeen?
“Toen ik dertien jaar was, had ik een laboratorium in de kelder van mijn ouders. Dat was een plek waar ik echt gelukkig kon zijn. Ik had verschillende dingen gekocht bij de apotheek die nu verboden zouden zijn door 101 wetten. Met mijn microscopie bestudeerde ik bacteriën. Ik vond dat fantastisch. Maar toen ik zeventien was, was dat niet meer genoeg. De vergroting van mijn microscoop was te klein geworden, dus ben ik naar een klinisch laboratorium gegaan in Boom. Daar heb ik een heel vriendelijke klinische bioloog ontmoet die mij vertrouwde met zijn ruimte en microscopen. Daar verdiepte ik mij in virussen van bacteriën. Zo ben ik in de virologie gerold. En nu vind ik virologie veel interessanter dan bacteriologie.”

Marc Van Ranst in zijn eerste laboratorium. (foto Van Ranst)

U bent naast viroloog ook docent aan de Katholieke Universiteit Leuven. Spendeert u nog veel tijd in een laboratorium?
“Veel te weinig. Zie mij hier zitten. Deze tafel staat hier niet voor niets. Ik moet constant vergaderen. Het administratieve deel van mijn job was aanvankelijk heel moeilijk voor mij. Ik werkte graag met mijn handen en ik vond dat ik dat beter deed dan wie dan ook. Dat is natuurlijk dikke zever.”(lacht)

Wat vindt u het leukste aan uw job?
“Nieuwe virussen ontdekken. Ik heb een aantal nieuwe manieren gevonden om ongekende virussen te ontdekken. Die techniek wordt nu veel gebruikt. Ik vind het ook heel leuk om nieuwe virussen te ontdekken bij dieren, ook al krijg ik dan te horen dat ik mij beter bezighoud met belangrijke dingen. Ik ga geen Nobelprijs winnen bij het onderzoeken van het giraffenpallomavirus, maar ik vind dat intellectueel toch aangenaam.”

Hoelang bent u van plan deze job nog uit te oefenen?
“Dit is een job waarmee je honderd jaar kunt worden. Eerlijk waar. Ik heb nog geen dag in mijn leven het gevoel gehad dat dit zware arbeid is. Onderzoek is een levenshouding. Onderzoeken op zich is voor mij veel interessanter dan één bepaald onderwerp.”

Uw studenten hebben mij gezegd dat uw gevoel voor humor zeer aanwezig is in de les en dat u geen blad voor de mond neemt. Ook naast de context van het academische staat u daarvoor bekend.  Vindt u dat een terechte reputatie?
“Ja, want ik zeg nu eenmaal wat ik denk. Ik heb geleerd om mij in het laboratorium een beetje in te houden. Ik probeer in die omgeving heel beleefd te zijn. Als ik elke keer zou zeggen wat ik denk, zouden we niet vooruit geraken. Dat is niet compatibel met een groep leiden”

Op sociale media houdt u zich helemaal niet in.
“Neen, natuurlijk niet. En dat moet ook niet. Dat is mijn vrije tijd. Ik ben graag kritisch over wat ik rondom mij zie gebeuren.”

Bent u het ermee eens dat u op sociale media een beetje de houding van een journalist aanneemt?
“In een ander leven zou journalistiek iets voor mij zijn geweest. Dat is een andere vorm van onderzoek. Dat maakt bij mij dezelfde reflexen los als bij wetenschappelijk onderzoek: bij beide onderzoeken moet je zaken uitzoeken en banden leggen die misschien niet altijd aan het oppervlak liggen. Ik betreur het dat er tegenwoordig niet meer zo veel goede onderzoeksjournalisten zijn. Er wordt niet meer zo vaak tegen de schenen gestampt van politici. Moeilijke vragen worden niet gesteld. Wanneer een politicus een journalist uitnodigt voor zijn verjaardagsfeest, betekent dat niet noodzakelijk dat je als journalist goed bezig bent. Integendeel zelfs. Als je naar iemands huwelijk bent geweest, ga je hem de volgende dag geen moeilijke vragen stellen.”

“Als je op Twitter dingen schrijft, doe je dat niet om te archiveren.”

U durft zich zeker wel kritisch opstellen. Ziet u dat eerder als hobby of is het uw directe bedoeling om mensen te beïnvloeden?
“Beide, denk ik. We moeten daar niet flauw over doen: als je op Twitter dingen schrijft, doe je dat niet om te archiveren. Dan weet je dat je mensen bereikt. Niet alleen ik. Wanneer iemand als Theo Francken zijn boodschap overbrengt op Twitter, moet die daar ook verantwoordelijkheid voor willen opnemen. Hij weet dat goed genoeg. Niets wat hij tweet is toeval, vergis je niet.”

Zowel u als hij zijn erg mondig op Twitter en dat heeft in het verleden al geleid tot een heel openbare en opgeblazen ruzie.
“Ik heb geen ruzie met Theo Francken. Hij heeft mij Dokter Haat genoemd omdat ik mijn mening durf uiten over dingen waar ik het niet mee eens ben. Ik heb hem nooit iets lelijks genoemd. Ik ben daar heel voorzichtig mee. Als hij mij dan Dokter Haat of Bloedhond noemt, vind ik dat opmerkelijk. Dat stoort of raakt mij niet. Dat is meer controleverlies van zijn kant. Als je je zaken onder controle hebt, dan ga je niemand Dokter Haat noemen. Dat is ook niet slim. Als je zo’n dingen over mij zegt, dan weet je op voorhand dat ik tien seconden later ongesuikerd mijn zegje zal zeggen. Zo’n slecht karakter heb ik ook wel.” (lacht)

Bent u niet bang dat uw geloofwaardigheid als dokter in twijfel zal worden getrokken wanneer een machtige politicus als Francken u afschildert als Dokter Haat?
“Neen. Ik zou het erg vinden als mijn geloofwaardigheid in twijfel zou worden getrokken door mijn collega’s. Maar wat weet Theo Francken van virologie? Zijn kennis daarvan past op de achterkant van een postzegel. Wat hij daarover te zeggen heeft, raakt mij niet.”

Wat Theo Francken zegt, raakt ù misschien niet, maar hij heeft wel veel volgers en beïnvloedt daar een groot deel van. Vreest u dat een deel van de bevolking u niet meer serieus zou nemen?
“Dat zou jammer zijn, maar virussen hebben geen politieke kleur. Het is niet omdat ik enkele politieke standpunten inneem, dat die mijn professionele houding binnen mijn beroep beïnvloeden. Wanneer ik lesgeef, zal ik ook nooit politieke onderwerpen aanhalen.”

U bent niet alleen zo hard voor Francken; ook andere N-VA’ers ontsnappen niet aan uw kritische houding. Kunt u iets positiefs zeggen over de N-VA?
“Ik ben niet automatisch tegen alles wat de N-VA doet of zegt. Ik ben het natuurlijk niet eens met hun gedachtegang, maar om het simplistisch voor te stellen: als zij ergens een parkje willen aanleggen, vind ik dat prima. Ik ben niet tegen dat parkje omdat het een idee is van de N-VA. Als zij iets goeds doen, moedig ik dat ook aan. Ik moet zelfs zeggen dat ik de N-VA in de beginperiode een vrij sympathieke partij vond. Maar dan zijn ze overgegaan tot een veel rechtser en racistisch discours. Van die gastvrijheid en warmte die N-VA vroeger uitte, is er nu niets meer over.”

Nochtans ligt u veel vaker in de clinch met N-VA-politici dan met die van Vlaams Belang, hoewel zij een nog extremere gedachtegang hanteren.
“N-VA heeft veel meer invloed op ons land. Zij zijn dus veel gevaarlijker, maar ik ben wel degelijk veel meer anti-Vlaams Belang. Het verschil wordt in mijn ogen wel veel kleiner en kleiner tussen die twee partijen. Ik laat mijn ongenoegen daarover ook zeker blijken. En dat hoort ook zo, volgens mij. Ik vind niet dat ik hen onterecht hard aanpak. Ik vind dat gewoon de defaulthouding. Omdat het omgekeerde, pro-fascisme, gewoon niet compatibel is met een deftige persoon zijn. Wanneer je mensen catalogeert op basis van karakteristieken die niks te maken hebben met het innerlijke, dan gaan er bij mij de belletjes wel af.”

“Negeren is nooit een optie. Niets gaat weg door er niets op te zeggen.”

De rector van de Katholieke Universiteit Leuven, Luc Sels, verkondigde vorig jaar dat de deuren van zijn universiteit openstonden voor Dries Van Langenhove nadat bekend was geraakt dat de UGent de deuren voor hem wilde sluiten. Sels verklaarde dat het negeren van extreemrechtse standpunten deze zou minimaliseren. Dat is het tegenovergestelde van wat u doet. Ziet u baat bij zijn aanpak?
“Neen. Negeren is nooit een optie. Niets gaat weg door er niets op te zeggen. Dat is een strategie die gesteund werd in de jaren dertig van de vorige eeuw. Dat is niet zo bijster goed gelukt toen. Dat stilzwijgen zou zeer handig zijn, maar daar geloof ik niet in.”

Door uw uitgesproken ongenoegen tegenover extreemrechts krijgt u vaak de kritiek te links te zijn.
“Ik ben bij geen enkele partij. De N-VA zou het natuurlijk fantastisch vinden om mij af te schrijven als PVDA’er. En ja, ik heb met veel plezier het voorwoord geschreven voor het boek van Peter Mertens en ik ben eens naar ManiFiesta geweest, maar dat is het enige waarmee ze mij in de linkse hoek kunnen steken. Mijn standpunten neigen uiteraard meer naar links dan naar rechts.”

Gaat u in uw dagelijkse leven ook zo vaak in discussie met andersdenkenden als op sociale media?
“Neen. Ik denk gewoon dat ik niet zoveel mensen ken met uitgesproken rechtse standpunten.”

U komt vrij cynisch over op sociale media. Bent u inderdaad cynisch?
“Als je je mening op Twitter moet vormen in 140 tekens en je wilt daar enige inhoud in krijgen, dan moet je kort en bondig je boodschap krachtig over- brengen. En dan komt dat misschien wat cynisch over.”

Maar bent u effectief cynisch?
(lange pauze) “Ik weet het niet.”

Ik zal het anders vragen. Heeft u nog hoop voor de toekomst?
“Natuurlijk. Het glas is meer dan half vol. Ik weet honderd procent zeker dat alles beter wordt. Als je afstand neemt, alles globaal bekijkt en relativeert, merk je dat de vooruitgang al bezig is. Armoede gaat achteruit, we worden ouder dan ooit, gezondheidszorg wordt beter en beter, het internet is fantastisch om alles op te zoeken wat je maar wilt en zo kan ik blijven doorgaan.”

Alles wat u nu zegt heeft nochtans ook een andere kant. Mijn generatie is de eerste generatie die niet ouder zal worden dan de vorige en het internet draagt ook bij tot veel negatieve dingen.
Zonder enige twijfel. Het internet heeft ook een afschuwelijke kant. Ik zie dat een beetje als een afspiegeling van de wereld. Maar ik blijf in het algemeen toch positief over de wereld.”

Wat maakt u gelukkig?
“Uitslapen. Dat gebeurt zelden. Elke dag zeg ik dat ik vroeg ga slapen, maar ik kan mij bezighouden met gelijk wat tot het midden van de nacht. Ik kan bijvoorbeeld bij de verkiezingen in de Verenigde Staten onmogelijk gaan slapen als ik weet dat ik dat anders mis.”

U heeft een tienjarig zoontje dat zal opgroeien in de wereld van morgen. Wat wilt u hem meegeven in het leven?
“Een gevoel voor rechtvaardigheid. Ik wil dat hij weet dat hij mag en moet reageren op dingen die onrechtvaardig zijn. Je moet je niet neerleggen bij onrecht, zowel bij jezelf als bij anderen. Zoiets moet je leren op jonge leeftijd. Mijn zoontje mag weten dat hij op zijn strepen mag staan. Ook tegenover mij. En dat gebeurt ook. Hij is een heel lief, braaf manneke, maar als hem iets niet aanstaat, zal ik het wel horen. Als kind kwam ik ook altijd voor mijzelf op wanneer ik voor iets gestraft werd dat ik echt niet had gedaan, zowel thuis als op school.”

Zou u willen dat uw zoon uw carrièrekeuzes ook volgt?
“Neen, dat moet helemaal niet. En iemand duwen in een richting werkt ook helemaal niet. In ons huis ga je nergens een boek vinden over virologie; wel over kunst. Ik heb veel liever dat hij zich verdiept in kunstboeken en dat hij kunst leert appreciëren. Het toeval wil wel dat hij dokter wil worden, maar dat is omdat zijn tante huisdokter is.”

Beseft hij dat zijn papa een bekende persoon is?
“Neen, absoluut niet. Ik weiger absoluut om mezelf te zien op televisie, dus het is niet dat hij mij constant ziet.”

U ben een drukbezette man. Kunt u voor uzelf een balans vinden tussen uw werk- en gezinsleven?
“Ja, ik probeer dat toch. In normale omstandigheden breng ik elke woensdag en vrijdag mijn zoon naar school. Dan kom ik vreselijk te laat aan op mijn werk, maar dan is dat maar zo. Dat probeer ik wel consistent te doen. Ik mis geen enkele ouderavond op school. Ik probeer ook wel samen met hem te lezen en dingen te doen. Ik steek daar echt mijn tijd in, want ik heb het al te vaak fout zien gaan bij collega’s die vroeg kinderen hebben ge- kregen. Ik ben een oude papa. Ik ben 54 jaar, mijn zoon is tien jaar. Dat is een serieus leeftijdsverschil. Ik zie mijn collega’s openbloeien met hun kleinkinderen. Plots hebben ze wel tijd. Volgens mij is dat om te compenseren voor de tijd die ze niet hebben gestoken in hun eigen kinderen. Ik krijg die kans niet. Ik ga hoogstwaarschijnlijk mijn kleinkinderen nooit leren kennen. Ik heb maar één kans om het deftig te doen en dat is bij mijn eigen zoon. Ik denk dat ik nu een betere papa ben dan ik vroeger ooit geweest zou zijn.”