20 mei 2022

Guy Mortier over Humo, absurde humor en rock-‘n-roll

Kritisch, empathisch maar met een gezonde portie satirische humor: zo staat Guy Mortier in het leven. Hij groeide uit tot een vaste waarde in de journalistiek en heeft dan ook een duidelijk beeld over de evolutie van het vak. Achter de schermen sleutelt hij nog steeds aan het tijdschrift Humo, waar hij exact zestig jaar geleden begon. In deze vrijmoedige babbel leren we Guy Mortier wat beter kennen.
door Margot De Clercq

Dezelfde grijze krullen en volle snor die begin deze eeuw vaker het Vlaamse tv-scherm vulden, zitten nu aan een tafeltje in Bar Epoq in Berchem. Even sprankelend als zijn bruiswater vertelt de zware en vertrouwde stem van Guy Mortier over zijn leven. De Spaanse muziek op de achtergrond staat in contrast met zijn liefde voor rock ’n roll die al vanaf het begin van het gesprek opvalt.

Hoe bent u eigenlijk in journalistiek terechtgekomen?
Ja dat is al lang geleden he. NIR (Nationaal Instituut voor de Radio-omroep), de toenmalige nationale radio deed een poging om een rock-‘n-rollprogramma uit te brengen. Al van jongs af aan ben ik dol op rock-‘n-roll en op schrijven. Dus stuurde ik hen een brief om te zeggen dat het programma nergens op trok en dat ik het veel beter kon. Ik ging er voor vijf jaar aan de slag en dat bracht me in contact met iemand van Humo, een blad waar ik dol op was en wij thuis toen lazen. Ik liet hen weten dat het mijn grote droom was om voor Humo te schrijven. Dus mocht ik in 1961 beginnen met een platenrubriek, genaamd Toodeloo, over de geweldige, pure rock-‘n-roll.
Ik maakte ook de bindteksten voor mijn radioprogramma: vooral absurde humor en vrolijke onzin, zeer geïnspireerd door de Nederlandse schrijver Godfried Bomans. Nauwelijks één serieus woord, maar wel heel goeie muziek! Die combinatie van rock en humor deed het goed bij de jeugd van toen, die verder nauwelijks rock te horen kreeg op de radio.

Hoe heeft u Humo zien evolueren?
De meeste Nederlandstalige pers in de jaren ‘60 was dor, strak en droog. Bij Humo was dat al anders. Toch heb ik het blad volledig onderste boven gedraaid, een paar rubrieken eruit gegooid en aangepast. Maar de kern bleef bewaard: de beste radio- en tv-programma’s, als ruggengraat van een vinnig blad dat veel humor en belangrijke informatie bevatte. We verwenden de popliefhebbers, die nergens anders terecht konden. Bijvoorbeeld de muziekfestivals Torhout Werchter en Bilzen kwamen slechts in de media als de rijkswacht iemand met twee gram cannabis had opgepakt. 
Ik kreeg de kans om jonge talenten aan te werven met veel zin voor humor, die heel goed konden schrijven en zeer veel wisten. Overal kon humor staan. Het blad was scherp en snedig tegenover politiek, de Kerk, radio en televisie. Want die laatsten waren vaak echt ondermaats en journalisten wilden er niet slecht over berichten omdat ze konden bijklussen op radio of tv. 
Met deze jonge, getalenteerde en gedreven groep maakten we ook diepgravende, lange interviews en echte onderzoeksjournalistiek zoals het tevoren nooit bestond. Heel veel jonge journalisten zijn mede gevormd door de journalistiek van Humo. Je zult misschien denken: “Die oude vent zit daar te stoefen”, maar iedereen wilde bij Humo werken.

Bent u blij dat u vroeger journalist was of liever nu?
De technologie stond bij mij nog minder ver natuurlijk dus ik kan niet zeggen of ik het beter of slechter gedaan zou hebben. Het heeft ook geen zin om daarover na te denken, a waste of time.

Wat zou u aan uw jongere zelf zeggen?
Je hebt veel te hard gewerkt! Maar ik was zo bezield en gedreven. Als ik minder hard had gewerkt dan had ik het ook niet zo goed kunnen doen. Dan had ik het niet op de manier kunnen doen zoals ik het nu gedaan heb. Ik ben ook de enige gek die als hoofdredacteur alles las, elke letter.

Waar bent u nu nog mee bezig?
Elke week sturen ze me nog de coverontwerpen omdat ik in mijn jaren bij Humo altijd alle covers gemaakt heb. Van het idee tot de allerkleinste details heb ik er altijd de hand in gehad. Het is verstandig van hen om mij die covers voor te leggen want ik heb die jarenlange ervaring. Een blik van buitenaf is ook altijd nuttig en ik vind het ook boeiend.
Ik maak ook nog steeds de radiospots, dat doe ik al sinds 1991 en ook dat doe ik nog met veel plezier. Bij de Humo-rubriek Het gat van de wereld help ik nog met de eindredactie. Zo blijf ik in contact met mensen zoals Jonas Geirnaert en Jeroom. Ik kan hen bijsturen en opmerken wanneer een grap niet duidelijk is. Maar ik lever zelf geen grappen want die mannen staan op een torenhoog niveau, daar ga ik me niet bemoeien.
Ik vind het heel aangenaam dat mijn mening nog gevraagd en gewaardeerd wordt, zo blijf ik toch verbonden met het blad.
Buiten HUMO doe ik niks (lacht). Alleen slapen en veel lezen. 

Welke boeken hebben een grote impact op u gehad?
Mijn ogen gingen pas open toen ik non-fictie boeken begon te lezen die de achterliggende gebeurtenissen blootlegden van geschiedenis waar niemand iets over wist. Ze lieten de vaak schokkende kant zien van conflicten zoals Vietnam, Watergate en de drugsoorlogen in Latijns-Amerika. Onderzoeksjournalistiek van het allerhoogste niveau. Die kocht ik dan aan en publiceerde ze als serie in Humo. Boeken die een andere licht wierpen op ons grote voorbeeld, het ideale land, Amerika. Op dit ogenblik denken we anders over Amerika, maar vroeger waren zij onze bondgenoot. Dus leerde ik om kritisch te zijn, ook tegenover onze bondgenoten. Hierdoor heb ik misschien wel de fout gemaakt om minder kritisch te zijn tegenover het communisme van Rusland. Pas door het boek Gorki Park van Martin CruzSmithzag ik in hoe corrupt en onmenselijk de maatschappij van de Sovjet-Unie was.
Het vreugdevuur der ijdelheden van Tom Wolfewas ook een boek dat mijn gedachtegang veranderde. Diep van binnen ben ik altijd een naïeve idealist geweest. Door dat boek kon ik inzien dat niet elk goed doel, een goed doel is. Al lijkt iets op het eerste gezicht nobel, goed en idealistisch, dat is niet altijd zo. Je moet je goed inlezen, naar de bodem van iets gaan en je niet laten meeslepen omdat iets van “iemand van ons” komt. Het was nogal kinderachtig dat ik dat toen pas door had, maar het is een buitengewoon goed boek. 
Ik ben eigenlijk nog altijd een naïeve idealist, dat is niet slecht want je moet een opengeest hebben in alle mogelijke richtingen, maar aan de andere kant moet je willen en durven nadenken. Ik heb me altijd wel zo goed mogelijk geïnformeerd. Het blijft dan ook de nobele taak van de journalist om overal de onderste steen boven te halen en de waarheid boven te spitten.

“Het blijft de nobele taak van de journalist om overal de onderste steen boven te halen en de waarheid boven te spitten

Welke ontmoeting blijft u het beste bij?
Oh, ik heb ooit het geluk gehad Godfried Bomans te ontmoeten, later Kees van Kooten en Wim de Bie, allemaal mensen die mij in hoge mate gevormd hebben. Ik heb met Michael Palin, mijn persoonlijke held van Monty Python, achter de schermen van Van Gils & gasten lang staan babbelen, dat was echt fantastisch. Ik heb ooit John Lennon de hand mogen drukken en ik kon niets meer zeggen dan Thanks for everything. Hij zal dat niet meer weten maar later zal ik het hem nog eens zeggen.

Denkt u dat u John Lennon nog gaat tegenkomen?
Zeker nog op mijn platenspeler (lacht). Ik ben eigenlijk heel veel bekende mensen tegengekomen maar ik bleef altijd respectvol op een afstand. In de twintig jaar dat ik Torhout Werchter presenteerde stond ik naast al die grote vedetten: Dylan, Neil Young, Paul Simon,noem maar op. Ik zou nu kunnen stoefen dat ik een babbeltje met hen heb gedaan maar ik vond dat dat niet hoorde. Uit respect sprak ik hen nooit aan. 

Wie kan u omschrijven als uw mentor of voorbeeld?
Kees van Kooten is één van mijn grootste helden, en ondertussen durf ik wel zeggen, een vriend. Hij heeft mijn gedachten en leven voor een groot deel bepaald. Fantastische mens! Zijn programma Keek op de week was buitengewoon geestig en scherp. Hij haalde steeds de hypocrisie van machthebbers en alle mogelijke mensen in de maatschappij onderuit op een briljante manier. Hij leerde me ook om de lat altijd zeer hoog te leggen.

En iemand die ik op een afstand bewonderde maar nooit ontmoet heb, was Arsène Wenger. Hij was gedurende zeventien jaar coach van voetbalploeg Arsenal en een buitengewoon figuur: buitengewoon chique, beschaafd, intelligent en hoofs. Hij kon zeer goed met mensen om en mensen laten samenwerken. Ik ben zelf niet zo een ongelooflijk sociaal mens dus het heeft me steeds gefascineerd hoe anderen dat doen. Mijn optie was:  lead by example. Er heeft nooit iemand harder gewerkt dan ik, dat heeft iedereen altijd kunnen zien. Ik ging er vanuit dat ze wel zouden volgen en dat deden ze ook. Er waren zeker mensen die beter konden schrijven of beter grappen konden maken dan ik maar het voornaamste was dat ik ze kon meetrekken in de mentaliteit we hebben hier een plicht, een kans en gelegenheid om elke week het allerbeste te maken.

Hebt u daar dan nog uit geleerd of bent u bij uw aanpak gebleven?
Ik zou het niet kunnen hoe zij het deden. Maar het heeft me altijd gefascineerd hoe andere mensen het aanpakten, dat was op een heel andere manier natuurlijk en misschien minder gecompliceerd dan de mijne.

Iemand die al zolang in het vak staat, heeft natuurlijk veel mensen gekend. Guy Mortier vertelt vol lof over zijn voorbeelden en mentors maar tussen de regels door merk je dat hij ook al vaak afscheid moest nemen van mensen die hem na aan het hart lagen.

Ga je anders in het leven staan als je veel mensen rondom je verliest?
(lacht een beetje gegeneerd) Ja, het klinkt misschien ongevoelig en vooral erg oppervlakkig , maar tot nader order ben ik iemand die nauwelijks over de dood nadenkt. Ik heb heel verstandige mensen gekend die er elke dag over piekerden, maar ik blijkbaar niet. Ik denk altijd: als het zo ver is, zal het al erg genoeg zijn. Wel over wat er zou gebeuren met wie ik achterlaat en wat dat voor hen kan betekenen, maar voor mezelf: neen. Ik besef natuurlijk dat dat heel snel kan veranderen.

“Ik ben een mens,
daar komt het eigenlijk op neer”

Hoe zou u antwoorden op Humo’s rubriek “7 hoofdzonden”?
Niet, heb ik altijd geweigerd. (lacht) Heel leuk maar neen, ik geef niet graag veel prijs over mijn privéleven. Ik wil niet dat mensen me volledig kennen. Mensen gaan er soms misschien van uit dat sommige zaken makkelijk waren terwijl ze zoveel niet weten. Maar dan denk ik meteen wat schiet je er mee op dat ze alles weten. Al die mensen die hun ziel helemaal blootleggen in een interview, ik begrijp dat ook niet altijd. Ik zou me daar ongemakkelijk bij voelen. Je haalt misschien nog eens de koppen in de kranten maar daar heb ik helemaal geen behoefte aan en mensen zijn er ook niet mee geholpen.

Vindt u het dan niet lastig dat mensen zich misschien een beeld van u vormen dat niet helemaal juist is? 
Zolang het positief is, is het juist (lacht). Neen, ik heb geen verschrikkelijke dingen op te biechten, gewoon persoonlijk leed dat iedereen wel eens gehad heeft, het heeft geen zin om daar mee naar buiten te komen. Het draagt ook niet bij tot de verbetering van iemand zijn leven. Ik ben een mens, daar komt het eigenlijk op neer. Ik weet het, nu ga ik wel héél ver (lacht).